Opeens gaat het slechter met Het Parool

Je begrijpt dat de titel van dit blog is gekozen om je aandacht te trekken, maar ik kon het niet laten om stellig te zijn over een onderwerp dat mij nauw aan het hart ligt: duurzaamheid, en de leugens daaromtrent. Misschien kent u de gevleugelde uitspraak: “there are lies, damn lies and statistics”. Ofwel: statistieken kunnen nog onwaarachtiger zijn dan de grootste, foutste leugens. Het is opvallend hoe statistieken in nieuwsartikelen de werkelijkheid zo kunnen inkaderen dat de lezer een positief of negatief eindoordeel geeft over een situatie. Dit effect wordt nog eens versterkt wanneer er onvoldoende uitleg in de begeleidende tekst wordt gegeven.

Krantenkoppen kaderen de werkelijkheid in, en kunnen daarmee behoorlijk verneukeratief zijn. Gisteren las ik een voorpagina-artikel van Het Parool met de kop: “Opeens gaat het beter met het milieu.” Wauw, denk ik. Het gaat beter met het milieu. Zijn er in grote getale bomen hersteld in het regenwoud? Diersoorten opgestaan uit hun uitstervingsdood? Of is er weer ijs aangegroeid op de Noordpool? Neen, niets van dat soort. Er is sprake van ‘vooruitgang’, omdat de stijging van CO2-uitstoot tot stilstand is gebracht. Hmm. OK, maar misschien moeten we niet voorbijgaan aan het feit dat er nog steeds een toename is van de CO2 in de atmosfeer, aangezien er nog steeds op dagelijkse basis enorm veel CO2 wordt uitgestoten. Een hoeveelheid die, kijkend naar de grafiek van China, sinds 1990 vervierdubbeld is. Het is bovendien een hoeveelheid die – als er geen daling van de CO2-uitstoot komt – voor het leven op aarde desastreuze gevolgen gaat hebben. Wat de prognose is van dit uitstootniveau als deze stijging blijft stilstaan, wordt in dit artikel niet verteld. Ik zou dat best wel willen weten, van bijvoorbeeld een deskundige. Ik meen dat er vroeger een verwijzing onderaan een voorpagina-artikel stond naar de rest van het artikel.

Gelukkig volgde wel een beetje uitleg. Gelukkig, omdat Het Parool dat namelijk ook wel eens achterwege laat en een totaal eenzijdig verhaal vertelt met alleen maar cijfers in chocoladeletters, zoals dit artikel over toerisme in Amsterdam. (De chocoladeletters zijn verdwenen in de online versie). De uitleg van het CO2-artikel vertelt onder meer dat andere gassen (methaan, lachgas en F-gassen) belangrijke veroorzakers zijn van het broeikaseffect en dat er niet alleen naar CO2 moet worden gekeken. Een andere nuancering van de krantenkop is dat er nog geen sprake lijkt van een economische transitie. Hiermee wordt bedoeld dat winstbejag nog steeds een leidende rol speelt in de keuze voor energiebronnen, materialen en productiewijzen. De kleinere economieën zoals India en Indonesië lieten wel een stijging van CO2 zien. Als ik het even mag vertalen: zodra er goedkoop kolen uit de grond kunnen worden gehaald in een derdewereldland met een zwak sociaal systeem kan de CO2-uitstoot zo weer stijgen.

Nu vraag ik: doet de kop boven dit artikel de waarheid recht aan? Gaat het ‘opeens beter’ met het milieu? Is een niet-verdere-verslechtering opeens een verbetering? Of nee, eigenlijk moet ik het zo formuleren: Is een stilstand in toename van de verslechtering een reden om in een kop het woord beter te gebruiken, met hierboven een chapeau waarin het woord vooruitgang staat?

Het buigen van de werkelijkheid met behulp van statistieken irriteert me steeds meer. Niettemin omdat het gevaarlijk is. De mensen die dit artikel lezen gaan naar de stembussen. Ze maken elke dag de keuze welk vervoermiddel ze gebruiken. Ze maken de keuze om wel of geen vlees te eten. Ze kiezen welke producten ze kopen en van welke bedrijven. Als zij niet degelijk geïnformeerd worden, maakt de zogenaamde transitie nog minder kans. Maar het ergste zijn nog de grote bedrijven, de krachten achter de alom geprezen economische groei. Zij weten als geen ander deze getallen naar hun hand te zetten. Immers, als een landelijk dagblad schrijft dat het beter gaat met het milieu, wordt het maar eens tijd om al die strenge milieuregeltjes wat verder af te zwakken. Post het artikel op je bedrijfspagina op Facebook (mensen lezen toch alleen de koppen), brei er een mooi verhaal omheen en je bent klaar. Bedankt voor deze kop, Parool. 

Het is nu de tweede keer dat ik zwaar teleurgesteld ben in een voorpagina-artikel van Het Parool. Eerst het artikel over het toerisme, waarin op eenzijdige wijze getallen worden gepresenteerd over hoe goed het toerisme zou zijn voor de stad. Nu het artikel van gisteren met deze bedrieglijke kop. Aangezien de verbetering van deze krant tot stilstand lijkt te zijn gekomen, of eigenlijk, ver achter de horizon ligt, ergens in een universum hier ver ver vandaan waar het nieuws integer en waarachtig wordt weergegeven, kan ik niet anders constateren dan dat het ‘opeens’ een stuk slechter gaat met Het Parool. 

 

Borstvoedingswangetjes

Bij een lactatiekundige had ik mij een kloeke vrouw voorgesteld. Lange grijze haren, een belijving van alle wijsheden der oervrouwen, samengekomen in één persona. Een wijde jurk zou ze dragen en je zou je afvragen of ze – ondanks haar leeftijd – nog steeds in staat was om de borst te geven. Tegenover me zat een magere mid-dertiger in een jeans en een strak T-shirt met een tekst op in de loze trant van ‘Vintage demin jeanswear San Franscisco since 1979’.

Vóór de geboorte van mijn dochter had ik niet verwacht dat borstvoeding geven een opgave zou kunnen zijn. Het dunkte mij dat borstvoeding geven een kwestie was van je kind aanleggen. De baby weet precies wat het moet doen. Jouw lichaam weet precies wat het moet doen. Het is zo oud als de mensheid. Zoiets. Maar nu zat ik ineens tegenover een lactatiedeskundige.

Ik besefte dat ik nooit van iemand had meegekregen hoe dat werkt. Ik vroeg mijn moeder hoe het zat. Met die melk. Blijkbaar werd in de tijd dat ik geboren ben geadviseerd om flesvoeding te geven. Daar zit namelijk alles in. Na 6 weken kreeg ik geen borstvoeding meer, want ‘er was niet meer’. Met mijn oudere broers en zus had mijn moeder het bovendien erg druk. Al snel kreeg ik papflessen en fruithapjes, iets wat nu wordt afgeraden tot het kind 4 maanden is.

De lactatiedeskundige zei dat er niet zoiets bestaat als ‘er is niet meer’. Dat is een fabeltje. En wat ze mijn oma vroeger wijs maakten, namelijk dat er ‘te weinig voedingsstoffen in de melk zitten’ is ook onzin. Zolang je maar blijft aanleggen en niet naar de Nutrilon grijpt zal je productie op peil blijven en het witte goud blijven vloeien tot in den eeuwigheid. Dus ik volgde de adviezen op. Veel huid-op-huid-contact, veel aanleggen en áls ik de fles gaf daarnaast ook kolven. Oftewel: de hele dag thuis zitten.

Het maakt niet uit welk onderwerp je pakt op het gebied van kinderen: je zult altijd merken dat de adviezen nogal trendgevoelig zijn. Helaas worden ze niet steeds genuanceerder. In plaats van voortschrijdend inzicht, val je meestal van het ene dogma in het andere. Zo mag je nu een baby pertinent nooit op zijn buik leggen, 30 jaar geleden was buikslapen het advies. En was flesvoeding in jaren ‘80 beter dan borstvoeding? Nu is het precies andersom.

De huidige trend, vooral onder hoogopgeleiden, is ‘natuurlijk’. Alles wat natuurlijk is, is beter. Natuurlijk bevallen houdt anno 2017 in dat je thuis bevalt. Of in ieder geval niet in het ziekenhuis, waar jouw leven of dat van je kind gered kan worden als het mis mocht gaan. Of nog een tandje erger: natuurlijk bevallen doe je in je eentje. In de natuur. Verloskundigen doen lekker met de trend mee. De mijne beweerde dat ze – in geval van nood – mij makkelijk van 3 hoog naar beneden kon krijgen zodat ik 10 minuten later in het ziekenhuis zou zijn. Nee dank je wel.

‘Natuurlijk’ is een concept dat zeer gevoelig is voor suggestie. Er hangt een zweem omheen van wijsheden van vroeger. Sommige wijsheden hebben echter nooit bestaan en daarom is het niet verkeerd om soms wat kennis tot je te nemen. Zo is er geen volk ter wereld OOIT geweest dat een vrouw alleen de natuur in stuurde om te bevallen. Een kind baren is een risicovolle aangelegenheid waar je zo veel mogelijk ervaringsdeskundigen bij wilt hebben. En dan de borstvoeding. In vroegere tijden kwam het vaak voor dat de borstvoeding (mede) door een andere vrouw(en) in de stam werd gegeven. En later in de geschiedenis gaven vrouwen uit hogere rangen een ondergeschikte vrouw de rol van ‘min’, zodat de dames bevrijd waren van deze tijdrovende klus.

Tegenwoordig moet je het als borstvoedende vrouw alleen doen. ‘s Nachts twee keer je nest uit en dan overdag lekker doodmoe naar je werk, waar je je werkzaamheden steeds moet onderbreken om in een kolfkamer te gaan zitten. Als je pech hebt, duurt het ook nog een half uur. Bij thuiskomst zijn jij en je partner zo slaapgebrekkig dat je relatie bijna uit elkaar brokkelt. Het was voor mij al gauw duidelijk dat ik na mijn zwangerschapsverlof wilde stoppen met borstvoeden.

Soms voel ik me daar rot over. Misschien is mijn dochter wel het enige kind dat ik zal krijgen. Ik heb meer tijd beschikbaar voor mijn enige kind dan mijn moeder. Kan ik het dan niet beter goed doen? En is ‘goed’ niet borstvoeding geven, immers wetenschappelijk onderzoek wijst uit dat aan dat baby’s die minimaal 6 maanden lang exclusief borstvoeding hebben gekregen, het op veel fronten beter doen. Maar ik zou ‘ik’ niet zijn als ik niet kritisch ben over zo’n onderzoek. Hebben deze kinderen niet gewoon de mazzel dat ze in een gezin opgroeien waar de tijd voor ze wordt genomen? Waar genoeg inkomen is, zodat de moeder langer thuis kan blijven? En is het niet de aandacht en de financiële voorspoed die ervoor zorgt dat deze kinderen beter terecht komen?

Laten we daar eens een ander onderzoek tegenover stellen. Zo las ik dat moeders die werken later beter presterende kinderen hebben. Dat geldt zowel voor de zonen als de dochters. Kortom: als je alles helemaal goed wilt doen, wordt er een hoop van je verwacht als moeder. En ergens bespeur ik onder vrouwen een zekere competitie. Een vrouw vertelde me dat haar beoogde en zorgvuldig geplande natuurlijke thuisbevalling toch in het ziekenhuis was geëindigd. Stiekem moest ik gniffelen. De mijne was – hoewel niet thuis – zeer snel en voorspoedig. Nadat ik vertelde dat mijn borstvoeding was gestopt, pakte ze haar telefoon om een foto van haar kind te laten zien en zei: “Kijk eens wat een lekkere borstvoedingswangetjes.”

 

IAmsterdamned

Waarom erger ik me eraan? Aan de IAmsterdam letters die sinds afgelopen zaterdag het Mercatorplein ‘sieren’. Het is toch leuk? Van die letters. Ik vroeg het aan de cassière van de Dirk. Het was leuk. Ik vroeg het aan een wat oudere cassière, type authentieke Amsterdammer. Ook leuk. Ik hoef mijn heil dus niet in de supermarkt te zoeken. Hoewel, de laatste voegde er aan toe dat het ‘eigenlijk niet veel drukker moet worden in de buurt’.

Ja Anouk, sprak ik mijzelf toe, waarom vind je het niet gewoon leuk? Het leukvinden is slechts één muisklik van je verwijderd. Heb je weer kramp in je wijsvinger, aansteller? Moet je weer net bij die ene procent horen die ‘boe’ roept? We zijn toch allemaal Amsterdam? Ik bedoel: ik ben toch Amsterdam en hun ik is toch ook Amsterdam en al die ikken is toch één groot IK en dat gieten we in kunststof en pleuren we dan toch gewoon op een plein? Wat is er mis met je leukorgaan? Of met je collectieve individualiteitsgevoel?

Wellicht ben ik xenofoob. Ik ben bang voor buitenlandse wezens, want toeristen komen op die letters af als vliegen op een vliegenstrip. Ze blijven er nog net niet aan kleven. Het staat in elke reisgids. Laatst toen ik over de Van Baerlestraat liep vroeg een toerist me: ‘Where is Amsterdam?’ Ik zei: ‘Dude you ARE in Amsterdam, it doesn’t get any more Amsterdam than this.’ Hij bleek niet knetterstoned, maar bedoelde de letters. Ik zeg je, het is toch onwezenlijk om in Amsterdam op zoek te gaan naar Amsterdam?

Naast mijn toeristenallergie is het ook persoonlijke rouw. Het is de aankondiging dat het Mercatorplein, mijn stenen achtertuin sinds 2003, vanaf nu officieel bij het centrum hoort en het daarmee gedaan is met de rust, met de authenticiteit. Welkom fotogenieke koffietentjes, welkom overvolle terrassen, welkom slingerende Macbikes. Vaarwel niet-commerciële openbare ruimte waar gewoon eens niets boeiends gebeurt. Afijn, er moet geld verdiend worden.

Ik hoopte mijn buurtbewoners aan mijn kant te krijgen. Even een wij-zij-tje creëren. Zij de toeristen, wij de bewoners. Maar tot mijn spijt, ook buurtbewoners vinden de letters vermakelijk. Kinderen vouwen zich op in het rondje van de d of wurmen zich door de poten van de m. Goed en wel, maar mij krijg je met geen I-vormig voorwerp op de foto met dat ding. Het voelt vreselijk, alsof je een soort toerist bent in je eigen buurt. Alsof je opeens vermaakt moet worden. Kijk eens, hier gebeurt wat! Leuk he?

Wat doet een toerist wanneer hij zich laat fotograferen op zijn bestemming? Ik dacht er laatst over na toen ik iemands vakantiefoto’s op Facebook zag langskomen. Het was een oord in Azië met van die witte stranden alsof iemand ontelbaar veel pakjes gestampte muisjes had uitgestrooid, grenzend aan een zee zo blauw als de ogen van Zeeuws meisje. Er zaten veel selfies tussen en dat zette me aan het denken. Is het zo dat je met een foto je een plek toeëigent? Een plek die niet echt bij je hoort, maar je wel status geeft? Het hagelwitte strand is dan ook een beetje van jou, je hebt ervoor betaald en dat bewijs je met foto’s. Kolonisatie in de digitale 21ste eeuw.

Gelieve mijn achtertuin niet te koloniseren!

Beste Stichting Amsterdam Marketing, ik verzoek u de koeienletters vandaag nog te verwijderen en te verplaatsen buiten de straal van mijn directe leefgebied. Ik vertrouw hierbij op uw creativiteit met de hoofdletter I. Ergens bij het ‘I’ filmmuseum of elders aan het ‘I’. Dank u, namens I en hopelijk vele anderen.

In mijn tijd

Sommige vrouwen geven geen antwoord als je vraagt hoe oud ze zijn. Zoals in die verschrikkelijke tv-reclame. Mijn crème? Olaz. Mijn leeftijd? Die mag je raden. Goed, het heeft wel iets. Je moet deze vrouwen credits geven voor de poging een mysterie rondom zichzelf te creëren in een tijdperk waarin iedereen intieme informatie te grabbel gooit. Nu bevond ik mij laatst in een situatie waarin ik moest kiezen tussen mijn ijdelheid en mijn alcoholisme. Ik werd te jong geschat voor de aanschaf van een fles sterke drank en was behoorlijk crimineel bezig door mij zonder legitimatie in de openbare ruimte te begeven. Het meisje achter de kassa vond het onmogelijk om mijn leeftijd te schatten en ze zei dat ik er jong uitzag. Zij zag er ook jong uit, een jaar of 15, waardoor het voor mij onmogelijk was om haar gezag te accepteren. Zonder paspoort leek er echter weinig beweging in te zitten. Het drong steeds meer tot me door hoe hopeloos de situatie was. Hoe kon ik haar zonder legitimatie overtuigen van mijn ouderdom? Alles opnoemen wat zij waarschijnlijk niet heeft meegemaakt? Misschien een beetje aandikken zodat ze in de war raakt? Wat in me opkwam was:

‘Toen ik zo oud was al jij, droeg ik standaard een ghettoblaster op mijn rechterschouder. Mijn jaszakken waren gevuld met cassettebandjes. Toen had je nog muziek, échte muziek. Samenscholen op pleinen was toen nog toegestaan, net als vandalisme. Je had geen mobieltjes niets, waar moest je je mee vermaken? Dat snapte de politie ook wel. Je had wel mobiele telefoons op een gegeven moment, maar daar kon je alleen mee bellen. Nou ja bellen, dan zei je twee woorden en dan was je batterij op. Nee, de telefoon stond op een vaste plek in het huis. Zo probeerden onze ouders onze fouten vrienden af te wimpelen, maar met rooksignalen wist je elkaar altijd wel te vinden. We rookten allemaal. Voor ons waren de rookcoupé’s in het leven geroepen. Ja, die heb je nu natuurlijk niet meer, maar in mijn jeugd kon je niet door de ramen van de trein heen kijken zo blank als het stond in die coupé’s. En dan de communicatie. Gestencilde nieuwsbrieven kreeg je mee van school, een keer per jaar. Duurde weken voordat die uitgeprint waren. Legitimatie? Dat had je alleen nodig als je naar een Oektoeboektoe-land ging. Iedereen liep stoned en dronken over straat zonder paspoort. Geen haan die er naar kraaide. De overheid bemoeide zich nergens mee. Detectorpoortjes bij de scholen? Helemaal nergens voor nodig, wapens waren nog niet in omloop. Ja, die goede oude tijd.’

Het meest pijnlijke vond ik dat er over mijn jaren `90 in Nederland eigenlijk helemaal niet zoveel boeiends te melden viel. Heb ik in de meest oninteressante tijd geleefd in de Nederlandse geschiedenis? De welvarende jaren zonder oorlog met veel gezellige nieuwe RTL-programma’s en speelgoed? Wie puber in de jaren `90 was, moet noodgedwongen een beetje romantiek lenen uit de decennia daarvoor of met sterke drank en sigaretten de achterstand inhalen. Als je dit intensief genoeg doet, krijg je vanzelf een geloofwaardig uiterlijk.

Inbeelding

Verbeeldingskracht als remedie tegen depressie

Tura is een lange slanke man met een zijden sjaal en een bijpassende Indiaas ogende huidskleur (maar eigenlijk is hij half Spaans). Wanneer hij tegen je praat, doet hij dit met volle aandacht, zijn ogen wijd open. Als hij je visitekaartje aanpakt, doet hij dat met twee handen en een kleine buiging. Toen ik hem voor het eerst ontmoette op een koffie-evenement voor freelancers, schreef hij aan zijn eerste boek. Hij zocht nog een uitgever voor zijn ‘Vrij van chronische depressie in 21 dagen‘. Wat een titel. Wat een belofte, dacht ik. Wat beeldt deze man zich wel niet in?

Hij beeldt zich een hoop in, zo blijkt. Want, zo vertelde hij, na 30 jaar depressie was hij in korte tijd genezen zonder medicatie, zonder psychotherapie door gebruik te maken van zijn verbeeldingskracht. Hij baseert zijn zelfhulpboek op deze persoonlijke ervaring, wetenschappelijke literatuur en drie case study’s uit zijn eigen praktijk. Hij vertelt dat wanneer mensen van hun depressie af proberen te komen zij zich er vooral ‘uit proberen te denken’. Ze vechten tegen negatieve gedachten door er nog meer gedachten tegenaan te gooien en deze gedachten behelsen niet zelden de afkeuring van hun eigen gedachten.

In zijn boek staat hoe taal een rol speelt. Dat het behulpzaam is om te denken wat je wél wilt in plaats van wat niet, bijvoorbeeld: ‘ik wil meer rust en ruimte ervaren’ versus ‘ik wil me niet meer de hele tijd onrustig voelen’. Maar meer nog dan in de kracht van taal gelooft Tura in de kracht van innerlijke beelden. Beelden hebben een sneller effect dan woorden en hier kun je volgens hem gebruik van maken. Door een symbool te kiezen voor je depressie, kun je je inbeelden hiervan weg te lopen. Een zogenaamd ‘reddend beeld’ komt hiervoor in de plaats, het liefst sterk bekrachtigd met andere zintuigelijke imaginaties (geluid, smaak, reuk etc.). Het boek is erop gericht om de depressieve neigingen sneller te herkennen en het reddende beeld sterker te maken. Zeer kort samengevat.

Hij vertelde me deze week dat de reacties op zijn boek nogal verdeeld zijn: van laaiend enthousiasme tot totale verguizing. Dit zal niet in de laatste plaats te maken hebben met de prikkelende stelling die hij inneemt ten opzichte van psychotherapie: dat het niet effectief is, dat graven in het verleden niet helpt. Ook is hij van mening dat het goed is om afstand te doen van de ‘slachtofferrol’ en van het idee dat depressie iets heel moeilijks is waar zelfs slimme wetenschappers het fijne niet van weten. Dit idee roept bij de patiënt namelijk de verkeerde vragen op zoals: wat is de oorzaak? Wat is het dan precies? Wat hoort erbij en wat niet? Volgens Tura hebben deze vragen weinig zin en kun je beter meteen ‘vertrekken naar betere oorden’.

Het is inderdaad gewaagd wat hij stelt. Kan het zo simpel zijn? Vast niet, denkt mijn kritisch brein. Dat zou betekenen dat veel hulpverleners niet echt aan het helpen zijn. Dat zou het vertrouwen in de geestelijke gezondheidszorg wel erg schaden. Het feit is echter dat, om verschillende redenen, de huidige behandelingen tekort schieten. Het is opmerkelijk dat er zo veel medicatie voor depressie en ADHD wordt uitgeschreven, zonder dat echt helder is wat deze medicatie precies doet. Maar ja, als psychische problemen in een nevel gehuld blijven van ‘zeer ingewikkeld’, dan verzand je al gauw in het accepteren van halve maatregelen. ‘We weten nog niet genoeg over het brein maar we schrijven wel medicatie uit.’ In hoeverre is dat kwakzalverij, vraag ik me wel eens af.

Het zou een beetje makkelijk zijn om te roepen dat de wereld nog niet klaar is voor Tura’s kijk op depressie. Ik zou het ook niet zo opgeschreven hebben als hij. Maar uit de reacties die hij krijgt, wordt wel duidelijk in welk spanningsveld hij zich bevindt. De taal die Tura spreekt botst hier en daar frontaal met de taal van wetenschappers en eindredacteuren die hij tegenkomt op zijn pad. Hij maakt de psychologische mechanismen die aan depressie ten grondslag liggen übersimpel. Dit doet hij bewust, en benoemt dit ook in zijn boek, omdat een complexe voorstelling van wat depressie is een patiënt niet helpt en verder doet afdwalen naar de eerder genoemde verkeerde vragen naar ‘het waarom’.

Dit vind ik interessant. Ik denk wel eens dat depressieve klachten voortkomen uit het menselijk vermogen om dingen complex te maken. En uit het ‘niet-doen-maar-denken’. Dat terwijl het bevrijdend kan zijn om actie te ondernemen, met de levensstroom mee te bewegen in plaats van te analyseren. Deze analytische denkkracht is een behoefte aan houvast en zekerheid. Een vorm van controledwang die verlammend kan werken. Toch is onze samenleving erg op controle gericht. En onze media blijkbaar. Het is in elk geval moeilijk voor Tura om een podium te krijgen bij de meer traditionele tijdschriften en uitgeverijen. Een van de redacteuren van een opinieblad zei hem dat hij een kwakzalver is en voegde er vervolgens aan toe dat hij zich zijn depressie heeft ingebeeld. De ironie! Is een depressie dan iets anders dan een inbeelding, een voorstelling van de werkelijkheid? Is het überhaupt zinvol om onderscheid te maken tussen een ingebeelde depressie en een ‘echte’? Kortom, een ander, een specialist, bepaalt wel of jij een depressie hebt of niet. En anders beeld je je het in.

Tura’s reactie op deze redacteur:

‘Wat beeld jij je in? …en werkt het voor je?’

Draadstaal op de Dam

Foto: Atelier Van Lieshout

‘Op 5 mei vieren we de vrijheid’, de tekst van het TV-spotje van jaren geleden staat me nog altijd bij . Er werd ingezoomd op een schildersdoek die het symbool van de vrijheid schilderde: een duif uiteraard. Destijds leefde het thema voor mij amper. Anno nu zullen er maar weinig jongeren zijn die voelbare affiniteit hebben met onze Nederlandse oorlogsveteranen. Het ritueel op de Dam blijft toch een beetje hun feestje.

Het Orakel op de Dam

Kunstenaar Joep van Lieshout komt dit jaar met een bijzonder werk op Bevrijdingsdag. Een 3,5 meter hoog draadstalen hoofd dat kan spreken met behulp van sms-berichten van toeschouwers. Het ‘afgodsbeeld’, zoals hij het zelf noemt, spreekt ongecensureerd.

Van Lieshout: ‘ Stel dat mensen alleen bagger sturen, dan zet de Nederlander zichzelf wel in zijn onderboek.’ (Citaat Volkskrant, di 29 april)

Mocht het uit de hand lopen, kan burgermeester Van der Laan ingrijpen, als handhaver van de openbare orde. Ook kunnen er maar 3 berichten a 160 karakter per telefoonnummer worden verstuurd.

Spannend, want dat betekent dat werkelijk alles kan worden geroepen, van mooie vrijheidsleuzen tot misschien wel hatelijke racistische uitspraken. Het is een mooie steekproef die kan weergeven hoe we in Nederland met het vrije woord omgaan. Maakt niemand er gebruik van of staat de lijn roodgloeiend? Wordt het een dialoog (dat zou prachtig zijn) of weerspiegelt het de vrijblijvendheid van ‘ieder voor zich’?

Project P

Vanavond wordt de eerste aflevering van Project P: Stop het pesten uitgezonden, waarin pestende jongeren met behulp van verborgen camera’s worden geconfronteerd met hun gedrag. Wetenschappers hebben er nu al een afkeurende mening over zonder één aflevering te hebben gezien.

Reality TV is vaak een mikpunt van spot. Het zogenaamde ‘teren op andermans problemen’ is vooral iets verachtelijks heb ik me laten vertellen. Sociale wetenschappers willen alles waar een beeldscherm aan te pas komt maar al te graag verguizen en nu zijn de pijlen gericht op Project P.

In een artikel in de Volkskrant van vanmorgen zijn een mediasocioloog en een sociaal wetenschapper aan het woord. Zonder dat er één aflevering op de buis is geweest, is het programma al afgeschreven. Wetenschapper 1 beweert dat media-aandacht slachtofferschap in de hand werkt en alleen extreme gevallen in beeld brengt. Hierdoor zouden de milde pesters zich er niet in herkennen. Ook zouden TV-omroepen dit als een veilige manier aangrijpen om hun maatschappelijke betrokkenheid te tonen. Over het veilige kun je discussiëren: diverse scholen hebben het programma al aangeklaagd om privacyredenen. TV-omroepen die hun maatschappelijke betrokkenheid tonen, hoe durven ze?

Het argument van wetenschapper 2: er zou een wildgroei zijn aan pestprogramma’s (Dag tegen pesten, Over de streep, Gepest). Omdat de media altijd kapstokken zoekt, is een trending thema als pesten handig om alles onder te scharen. Zo zouden een aantal suïcidegevallen onder jongeren op mediagenieke wijze aan pesten zijn toegeschreven, en onterecht. Wat de werkelijke oorzaak is van de zelfmoorden, blijft volgens wetenschapper 2 onderbelicht. Dat journalisten hun werk oppervlakkig doen en dingen door de media worden uitvergroot, is niets nieuws. Maar hoezo is dit een argument tegen Project P? Het programma gaat toch juist wél over pesten?

Over de streep was een goed programma. Het richtte zich op het wederzijds begrip dat kan ontstaan wanneer je elkaar beter leert kennen. Het programa geeft de hoop dat er vaste sociale structuren kunnen worden doorbroken. Kwetsbaarheid tonen is moeilijk als je positie binnen een groep niet zeker is. We blijven als sociale dieren sterk afhankelijk van wat anderen van ons denken en in de puberteit hebben we nog geen olifantenhuid. Misschien waren de zelfmoorden inderdaad niet direct te koppelen aan pestgedrag, maar het geeft wel een signaal. Enkel een gevoel van sociale isolatie kan voor een puber voldoende zijn om zich tegen het leven te keren.

Of Project P een goed programma wordt, weet ik niet. RTL 5 wil misschien te zwart-wit daders en slachtoffers bestempelen, gezien het aantal crime-programma’s op deze zender. Naar mijn mening willen de wetenschappers hun beroep gewoon niet uit handen geven aan therapeutische presentatoren. De wetenschappers zouden er goed aan doen om niet te snel te oordelen, over ‘de anderen’.

 

Pop-upstore geopend in niet-leegstaand pand*

*Dit artikel kan sporen van satire bevatten

In Amsterdam is een tweespalt ontstaan tussen een ZZP’er uit de creatieve sector en een eigenaar van een kebabzaak. De ZZP’er opende een pop-upstore in de kebabzaak terwijl deze nog werd uitgebaat door de eigenaar.

In een maand tijd zag Ahmed Ben Said zijn zaak verworden tot een broedplek voor creatieve ondernemers. “Het begon met een man met een afgezakte broek en een kartonnen koffiebeker. Nu zijn al mijn tafeltjes de hele dag bezaaid met laptops. Er komen steeds er meer bij. De een knipt baarden en de ander schenkt espresso. Ondertussen maken ze foto’s van elkaar.”

Social property sharing is een nieuw concept waarbij creatief ondernemerschap meer kans krijgt. Volgens initiatiefnemer Emile van Zolen heeft het spontane delen alleen maar voordelen en moeten we anders gaan denken over eigendom. “In mijn concept store City Blend onderzoek ik het spanningsveld tussen fysieke ruimte en functie. Hierbij zoek ik zo veel mogelijk de ruimte binnen de ruimte op. Een ruimte die is gevrijwaard van verouderde eigendomsconcepten heeft een enorme creatieve schepppingskracht. Met een 3D-printer ga ik deze innovatieve concepten verder uitwerken en visualiseren.”

Ben Said is vooralsnog niet te spreken over de ontwikkelingen in zijn zaak. Hij beweert dat het hem geen extra klanten oplevert. De eigenaar pleit voor een landelijk pop-up meldpunt en moedigt andere gedupeerde ondernemers aan hun verhaal naar buiten te brengen. Ondanks deze weerstand blijft Van Zolens positiviteit onaantastbaar. “Het is jammer dat Ahmed blijft hangen in oude ideeën. Ons concept draagt juist bij aan het verkleinen van zijn ecologische footprint en is een voorbeeld binnen de global village. De duizenden volgers en fans op social media bewijzen het: de macht ligt niet meer bij de gevestigde orde. Nu is het de tijd om dromen waar te maken.”

Je weet niet wat je vraagt

Over een zinloze enquête…

Geef om de Jan Eef was het eerste Amsterdamse bewonersinitiatief voor de verbetering van een ‘wat mindere buurt’. Samen met een handvol anderen doe ik redactie- en schrijfwerk voor de website en Facebookpagina. Vorige week stuurde een studente aan de VU mij een e-mail. Voor haar masterthese deed ze onderzoek naar het effect van Amsterdamse bewonersinitiatieven. Aan mij de vraag of we haar ‘poll’ (=vragenlijst) wilden plaatsen op onze ruim 4000 volgers tellende Facebookpagina: “It would be so awesome if you could help me out.” Of course we are awesome, we zijn immers de slechtste not. Oh ja, het was wel in het Engels (ze was Amerikaanse, maar van Braziliaanse afkomst) dus ze vroeg of het misschien beter vertaald kon worden. Ik reageerde enthousiast op haar mail, en raadde haar aan om inderdaad een Nederlandse vertaling te maken.

Ooit was ik zelf student aan de VU en deed ik ook onderzoek. Het is voor mij haast onmogelijk om niet met een kritische blik naar vragenlijsten te kijken en ik erger me aan nagenoeg alles wat ik langs zie komen. Dit keer had ik dubbel prijs, want aan de taal schortte het ook. De vertaling bleek een resultaat te zijn van een vertaalmachine of misschien van een behulpzame Amerikaan wiens Dutch roots in de loop der jaren sterk verdroogd waren: (Amerikanen pronken graag met hun Europese bet-betovergrootvaderen) Nederlands was het in elk geval niet te noemen. De studente gaf toe zelf ook geen idee te hebben wat er stond. Om het bont te maken, was de naam van ons initiatief verkeerd gespeld, en nog bonter: inconsequent verkeerd gespeld. In de 10 vragen tellende enquête, stonden items geformuleerd als:

Voelt u je veiliger sinds ‘Geef op Jan Eef’?

  • Geen verschil
  • Een beetje 
  • Ja heel erg

Merk op dat ‘minder veilig’ hier blijkbaar geen optie is, ondanks dat men zich tal van andere factoren kan voorstellen die van invloed zijn op iemand gevoel van veiligheid. Toch, we kunnen ons als initiatiefnemers gevleid voelen om deze geïnsinueerde almacht, dus de studente krijgt hier krediet voor het strelen van ons ego. We vullen ‘ja heel erg’ in, want gewoon ‘ja’ kan blijkbaar niet en ‘een beetje’ is een beetje te weinig.

Voelt u je meer geïntegreerd?
Nadat ik mijn gewenste aanspreekvorm heb gekozen, ga ik bij mezelf te rade: voel IK mij geïntegreerd? Wat zou ze hier bedoelen? Voelt mijn stoffelijk lichaam als een goed samenwerkende biochemische eenheid? Kom op, zet er op zijn minst ‘in de buurt’ bij. Overigens, ik heb het Nederlandse gebruik van het woord integratie altijd al merkwaardig gevonden. Het impliceert de aanwezigheid van een externe partij, zelden gedefinieerd, waar je als individu in wordt opgenomen, maar dan op zo’n manier dat je er volledig mee samenvloeit. Want dat is wat integratie betekent. Autochtonen mogen kritiek hebben op koppige allochtonen, maar ergens volledig in opgaan leidt onherroepelijk tot typische autochtonenproblemen. Binnen de kortste keren zit je als geïntegreerde bij een psycholoog om ‘naar jezelf op zoek te gaan’, of schrijf je liedteksten als ‘ik ben mezelf niet of al die jaren nooit geweest’.

In de tijd dat ik mijn bloed aan het rondpompen was om al deze ergernissen, had ik ook het onderzoek van de studente tot eenzame hoogtes kunnen brengen. Want wat doe je hier als tekstschrijver/onderzoeker mee? Al zou de taal kloppen, dan kan ik nog wel een paar uur weiden aan de gebruikte methodiek. Dat moest ik maar niet doen. Toch besluit ik even een mailtje terug te sturen. Een beetje kort schreef ik dat het belangrijk is dat een enquête correct is gespeld, je wil immers niet dat je respondenten meteen weg klikken: zonde van je tijd en van je very compelling research. In haar verdediging zei het meisje dat de vragenlijst al vertaald was door een native Dutch speaker (daar hebben we de uitgedroogde Hollandse wortels van ome John) en dat ze amper tijd heeft en dat als het nu NOG niet goed is, ze niet weet wat te doen. Ik heb gezegd dat ik het uiterst moeilijk vind om dat zo 1-2-3 te bedenken, maar dat ik er het volste vertrouwen in heb dat ze met een oplossing zou kunnen komen voor deze kwestie….”als universitair masterstudent”, wilde de sarcastische versie van mij er aan toevoegen.

Uiteindelijk heeft de studente zonder haar miraculeuze oplossing te onthullen de vragen in goed Nederlands opgestuurd. Het onderzoek leidt helaas tot hopeloos onbruikbare resultaten, maar gelukkig heb ik wel weer een leuke aanleiding om mijn hart te luchten.