IAmsterdamned

Waarom erger ik me eraan? Aan de IAmsterdam letters die sinds afgelopen zaterdag het Mercatorplein ‘sieren’. Het is toch leuk? Van die letters. Ik vroeg het aan de cassière van de Dirk. Het was leuk. Ik vroeg het aan een wat oudere cassière, type authentieke Amsterdammer. Ook leuk. Ik hoef mijn heil dus niet in de supermarkt te zoeken. Hoewel, de laatste voegde er aan toe dat het ‘eigenlijk niet veel drukker moet worden in de buurt’.

Ja Anouk, sprak ik mijzelf toe, waarom vind je het niet gewoon leuk? Het leukvinden is slechts één muisklik van je verwijderd. Heb je weer kramp in je wijsvinger, aansteller? Moet je weer net bij die ene procent horen die ‘boe’ roept? We zijn toch allemaal Amsterdam? Ik bedoel: ik ben toch Amsterdam en hun ik is toch ook Amsterdam en al die ikken is toch één groot IK en dat gieten we in kunststof en pleuren we dan toch gewoon op een plein? Wat is er mis met je leukorgaan? Of met je collectieve individualiteitsgevoel?

Wellicht ben ik xenofoob. Ik ben bang voor buitenlandse wezens, want toeristen komen op die letters af als vliegen op een vliegenstrip. Ze blijven er nog net niet aan kleven. Het staat in elke reisgids. Laatst toen ik over de Van Baerlestraat liep vroeg een toerist me: ‘Where is Amsterdam?’ Ik zei: ‘Dude you ARE in Amsterdam, it doesn’t get any more Amsterdam than this.’ Hij bleek niet knetterstoned, maar bedoelde de letters. Ik zeg je, het is toch onwezenlijk om in Amsterdam op zoek te gaan naar Amsterdam?

Naast mijn toeristenallergie is het ook persoonlijke rouw. Het is de aankondiging dat het Mercatorplein, mijn stenen achtertuin sinds 2003, vanaf nu officieel bij het centrum hoort en het daarmee gedaan is met de rust, met de authenticiteit. Welkom fotogenieke koffietentjes, welkom overvolle terrassen, welkom slingerende Macbikes. Vaarwel niet-commerciële openbare ruimte waar gewoon eens niets boeiends gebeurt. Afijn, er moet geld verdiend worden.

Ik hoopte mijn buurtbewoners aan mijn kant te krijgen. Even een wij-zij-tje creëren. Zij de toeristen, wij de bewoners. Maar tot mijn spijt, ook buurtbewoners vinden de letters vermakelijk. Kinderen vouwen zich op in het rondje van de d of wurmen zich door de poten van de m. Goed en wel, maar mij krijg je met geen I-vormig voorwerp op de foto met dat ding. Het voelt vreselijk, alsof je een soort toerist bent in je eigen buurt. Alsof je opeens vermaakt moet worden. Kijk eens, hier gebeurt wat! Leuk he?

Wat doet een toerist wanneer hij zich laat fotograferen op zijn bestemming? Ik dacht er laatst over na toen ik iemands vakantiefoto’s op Facebook zag langskomen. Het was een oord in Azië met van die witte stranden alsof iemand ontelbaar veel pakjes gestampte muisjes had uitgestrooid, grenzend aan een zee zo blauw als de ogen van Zeeuws meisje. Er zaten veel selfies tussen en dat zette me aan het denken. Is het zo dat je met een foto je een plek toeëigent? Een plek die niet echt bij je hoort, maar je wel status geeft? Het hagelwitte strand is dan ook een beetje van jou, je hebt ervoor betaald en dat bewijs je met foto’s. Kolonisatie in de digitale 21ste eeuw.

Gelieve mijn achtertuin niet te koloniseren!

Beste Stichting Amsterdam Marketing, ik verzoek u de koeienletters vandaag nog te verwijderen en te verplaatsen buiten de straal van mijn directe leefgebied. Ik vertrouw hierbij op uw creativiteit met de hoofdletter I. Ergens bij het ‘I’ filmmuseum of elders aan het ‘I’. Dank u, namens I en hopelijk vele anderen.

In mijn tijd

Sommige vrouwen geven geen antwoord als je vraagt hoe oud ze zijn. Zoals in die verschrikkelijke tv-reclame. Mijn crème? Olaz. Mijn leeftijd? Die mag je raden. Goed, het heeft wel iets. Je moet deze vrouwen credits geven voor de poging een mysterie rondom zichzelf te creëren in een tijdperk waarin iedereen intieme informatie te grabbel gooit. Nu bevond ik mij laatst in een situatie waarin ik moest kiezen tussen mijn ijdelheid en mijn alcoholisme. Ik werd te jong geschat voor de aanschaf van een fles sterke drank en was behoorlijk crimineel bezig door mij zonder legitimatie in de openbare ruimte te begeven. Het meisje achter de kassa vond het onmogelijk om mijn leeftijd te schatten en ze zei dat ik er jong uitzag. Zij zag er ook jong uit, een jaar of 15, waardoor het voor mij onmogelijk was om haar gezag te accepteren. Zonder paspoort leek er echter weinig beweging in te zitten. Het drong steeds meer tot me door hoe hopeloos de situatie was. Hoe kon ik haar zonder legitimatie overtuigen van mijn ouderdom? Alles opnoemen wat zij waarschijnlijk niet heeft meegemaakt? Misschien een beetje aandikken zodat ze in de war raakt? Wat in me opkwam was:

‘Toen ik zo oud was al jij, droeg ik standaard een ghettoblaster op mijn rechterschouder. Mijn jaszakken waren gevuld met cassettebandjes. Toen had je nog muziek, échte muziek. Samenscholen op pleinen was toen nog toegestaan, net als vandalisme. Je had geen mobieltjes niets, waar moest je je mee vermaken? Dat snapte de politie ook wel. Je had wel mobiele telefoons op een gegeven moment, maar daar kon je alleen mee bellen. Nou ja bellen, dan zei je twee woorden en dan was je batterij op. Nee, de telefoon stond op een vaste plek in het huis. Zo probeerden onze ouders onze fouten vrienden af te wimpelen, maar met rooksignalen wist je elkaar altijd wel te vinden. We rookten allemaal. Voor ons waren de rookcoupé’s in het leven geroepen. Ja, die heb je nu natuurlijk niet meer, maar in mijn jeugd kon je niet door de ramen van de trein heen kijken zo blank als het stond in die coupé’s. En dan de communicatie. Gestencilde nieuwsbrieven kreeg je mee van school, een keer per jaar. Duurde weken voordat die uitgeprint waren. Legitimatie? Dat had je alleen nodig als je naar een Oektoeboektoe-land ging. Iedereen liep stoned en dronken over straat zonder paspoort. Geen haan die er naar kraaide. De overheid bemoeide zich nergens mee. Detectorpoortjes bij de scholen? Helemaal nergens voor nodig, wapens waren nog niet in omloop. Ja, die goede oude tijd.’

Het meest pijnlijke vond ik dat er over mijn jaren `90 in Nederland eigenlijk helemaal niet zoveel boeiends te melden viel. Heb ik in de meest oninteressante tijd geleefd in de Nederlandse geschiedenis? De welvarende jaren zonder oorlog met veel gezellige nieuwe RTL-programma’s en speelgoed? Wie puber in de jaren `90 was, moet noodgedwongen een beetje romantiek lenen uit de decennia daarvoor of met sterke drank en sigaretten de achterstand inhalen. Als je dit intensief genoeg doet, krijg je vanzelf een geloofwaardig uiterlijk.

Inbeelding

Verbeeldingskracht als remedie tegen depressie

Tura is een lange slanke man met een zijden sjaal en een bijpassende Indiaas ogende huidskleur (maar eigenlijk is hij half Spaans). Wanneer hij tegen je praat, doet hij dit met volle aandacht, zijn ogen wijd open. Als hij je visitekaartje aanpakt, doet hij dat met twee handen en een kleine buiging. Toen ik hem voor het eerst ontmoette op een koffie-evenement voor freelancers, schreef hij aan zijn eerste boek. Hij zocht nog een uitgever voor zijn ‘Vrij van chronische depressie in 21 dagen‘. Wat een titel. Wat een belofte, dacht ik. Wat beeldt deze man zich wel niet in?

Hij beeldt zich een hoop in, zo blijkt. Want, zo vertelde hij, na 30 jaar depressie was hij in korte tijd genezen zonder medicatie, zonder psychotherapie door gebruik te maken van zijn verbeeldingskracht. Hij baseert zijn zelfhulpboek op deze persoonlijke ervaring, wetenschappelijke literatuur en drie case study’s uit zijn eigen praktijk. Hij vertelt dat wanneer mensen van hun depressie af proberen te komen zij zich er vooral ‘uit proberen te denken’. Ze vechten tegen negatieve gedachten door er nog meer gedachten tegenaan te gooien en deze gedachten behelsen niet zelden de afkeuring van hun eigen gedachten.

In zijn boek staat hoe taal een rol speelt. Dat het behulpzaam is om te denken wat je wél wilt in plaats van wat niet, bijvoorbeeld: ‘ik wil meer rust en ruimte ervaren’ versus ‘ik wil me niet meer de hele tijd onrustig voelen’. Maar meer nog dan in de kracht van taal gelooft Tura in de kracht van innerlijke beelden. Beelden hebben een sneller effect dan woorden en hier kun je volgens hem gebruik van maken. Door een symbool te kiezen voor je depressie, kun je je inbeelden hiervan weg te lopen. Een zogenaamd ‘reddend beeld’ komt hiervoor in de plaats, het liefst sterk bekrachtigd met andere zintuigelijke imaginaties (geluid, smaak, reuk etc.). Het boek is erop gericht om de depressieve neigingen sneller te herkennen en het reddende beeld sterker te maken. Zeer kort samengevat.

Hij vertelde me deze week dat de reacties op zijn boek nogal verdeeld zijn: van laaiend enthousiasme tot totale verguizing. Dit zal niet in de laatste plaats te maken hebben met de prikkelende stelling die hij inneemt ten opzichte van psychotherapie: dat het niet effectief is, dat graven in het verleden niet helpt. Ook is hij van mening dat het goed is om afstand te doen van de ‘slachtofferrol’ en van het idee dat depressie iets heel moeilijks is waar zelfs slimme wetenschappers het fijne niet van weten. Dit idee roept bij de patiënt namelijk de verkeerde vragen op zoals: wat is de oorzaak? Wat is het dan precies? Wat hoort erbij en wat niet? Volgens Tura hebben deze vragen weinig zin en kun je beter meteen ‘vertrekken naar betere oorden’.

Het is inderdaad gewaagd wat hij stelt. Kan het zo simpel zijn? Vast niet, denkt mijn kritisch brein. Dat zou betekenen dat veel hulpverleners niet echt aan het helpen zijn. Dat zou het vertrouwen in de geestelijke gezondheidszorg wel erg schaden. Het feit is echter dat, om verschillende redenen, de huidige behandelingen tekort schieten. Het is opmerkelijk dat er zo veel medicatie voor depressie en ADHD wordt uitgeschreven, zonder dat echt helder is wat deze medicatie precies doet. Maar ja, als psychische problemen in een nevel gehuld blijven van ‘zeer ingewikkeld’, dan verzand je al gauw in het accepteren van halve maatregelen. ‘We weten nog niet genoeg over het brein maar we schrijven wel medicatie uit.’ In hoeverre is dat kwakzalverij, vraag ik me wel eens af.

Het zou een beetje makkelijk zijn om te roepen dat de wereld nog niet klaar is voor Tura’s kijk op depressie. Ik zou het ook niet zo opgeschreven hebben als hij. Maar uit de reacties die hij krijgt, wordt wel duidelijk in welk spanningsveld hij zich bevindt. De taal die Tura spreekt botst hier en daar frontaal met de taal van wetenschappers en eindredacteuren die hij tegenkomt op zijn pad. Hij maakt de psychologische mechanismen die aan depressie ten grondslag liggen übersimpel. Dit doet hij bewust, en benoemt dit ook in zijn boek, omdat een complexe voorstelling van wat depressie is een patiënt niet helpt en verder doet afdwalen naar de eerder genoemde verkeerde vragen naar ‘het waarom’.

Dit vind ik interessant. Ik denk wel eens dat depressieve klachten voortkomen uit het menselijk vermogen om dingen complex te maken. En uit het ‘niet-doen-maar-denken’. Dat terwijl het bevrijdend kan zijn om actie te ondernemen, met de levensstroom mee te bewegen in plaats van te analyseren. Deze analytische denkkracht is een behoefte aan houvast en zekerheid. Een vorm van controledwang die verlammend kan werken. Toch is onze samenleving erg op controle gericht. En onze media blijkbaar. Het is in elk geval moeilijk voor Tura om een podium te krijgen bij de meer traditionele tijdschriften en uitgeverijen. Een van de redacteuren van een opinieblad zei hem dat hij een kwakzalver is en voegde er vervolgens aan toe dat hij zich zijn depressie heeft ingebeeld. De ironie! Is een depressie dan iets anders dan een inbeelding, een voorstelling van de werkelijkheid? Is het überhaupt zinvol om onderscheid te maken tussen een ingebeelde depressie en een ‘echte’? Kortom, een ander, een specialist, bepaalt wel of jij een depressie hebt of niet. En anders beeld je je het in.

Tura’s reactie op deze redacteur:

‘Wat beeld jij je in? …en werkt het voor je?’

Scrabblewoorden met een y

(en hun eventuele toepassing)

Als je als yogi veel aan yoga doet, komen dan je yin en yang in balans? Reken maar van yes! Het kost wel enige zloty, zo’n yogales, maar een yup is een type dat graag in de buidel tast voor een aantrekkelijke hype of mythe. Je voelt je fysiek gewoon meer okay als je een keer in de zoveel tijd je body in de houding van een baby of een embryo wringt.

Laatst las ik een essay van een omhoog gevallen homo, zo’n dandy, met een husky die meer weg had van een hyena. Hij hield niet van gym, en zeker niet van jonge moeders met buggy’s. Een hymne op oosterse wijsheden was aan hem niet besteed. Hij zat liever aan de ecstasy.

Schrijversschool

Ik neem spontane interviews af op straat in de stijl van ‘Humans of New York’. Gisteren ontmoette ik een meisje op het strand.

‘Hoe oud ben jij?’ vroeg ik.
‘Zeven, bijna acht.’
‘Ik moet een verhaal schrijven over een jongetje van acht, maar ik ben vergeten hoe het is om acht te zijn.’
‘Ooowww….Stommie!’
‘Maar hoezo “moet” je een verhaal schrijven?’
‘Ik zit op een schrijversschool.’
‘Oh dan snap ik het al.’
(loopt weg en komt later terug)
‘Ik denk dat je gewoon moet beginnen bij: “heel lang geleden was er eens…” want zo beginnen de meeste verhalen.’

Meer interviews lezen? Ga naar de Tekstwonder Fanpage op Facebook.

Berivan (40)

Voor de Jan Eef Buurtkrant (eerste editie komt in september 2014) neem ik spontane interviews af op straat in de stijl van ‘Humans of New York’.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA“Je mag me interviewen, maar niet te lang want ik moet straks mijn kinderen van school halen. Heb jij kinderen?”
“Nee.”
“Oh vandaar dat je nog een gezicht zonder zorgen hebt.”
“Hoe lang woon je hier al?”
“Ik kom uit Irak en ben in 2006 samen met mijn man in deze buurt komen wonen.
“Wat vind je het leukste van deze buurt?”
“Zoveel verschillende mensen. En nu kan ik steeds beter met iedereen praten. In het begin sprak in bijna geen Nederlands: Ja. Nee. Dank u. Sorry. Nu heb ik een taalcoach via de Gemeente en leer ik steeds meer woorden bij.”
“Wat is het moeilijkste Nederlandse woord dat je kent?”
“Gecondoleerd.”

Micro-interviewen zoals in ‘Humans of New York’

Vandaag is een bijzondere dag want ik ga iets doen wat ik nog nooit eerder heb gedaan:

willekeurige mensen interviewen op straat.

In september komt er in De Baarsjes in Amsterdam het eerste exemplaar van de Jan Eef buurtkrant uit. Aan mij de schone taak om deze buurtkrant helemaal van scratch op te zetten. De winkelstraatvereniging Geef om de Jan Eef, waar ik regelmatig voor schrijf, wil hiermee de ‘offline buurtbewoners’ bereiken. Mensen die internet alleen gebruiken in de bibliotheek of voor wie Facebook slechts een naam is waar ze van gehoord hebben. Of mensen die uit principe offline leven. Bestaan ze überhaupt nog?

De krant zal volstaan met interviews, buurttips, buurtrecepten en een cultuuragenda. Om de buurtgenoten een beetje te leren kennen, ga ik spontane interviews houden. Ik noem ze micro-interviews. Ik heb me laten inspireren door Brandon Stanton,  het brein achter de populaire Facebookpagina Humans of New York. De Fanpage heeft meer dan 5 miljoen volgers en toont kleurrijke portretten van New Yorkers met hun opvallende uitspraken: persoonlijke issues, levensfilosofieën en wereldbeelden.

jazz musicians

“We’re jazz musicians.”
“If jazz was a person, how would you describe that person?”
“Some dick that doesn’t pay me.”

De oprichter wilde in eerste instantie alleen portretten maken, maar het ‘micro-interview’ kwam er al gauw bij.  Binnen korte tijd vertrouwden mensen van alles aan Brandon toe. Omdat hij inmiddels meer dan 10.000 mensen heeft benaderd, kan hij zich waarschijnlijk de wereldexpert op het gebied van  het straatinterview noemen. New Yorkers schijnen bekend te staan om hun geslotenheid. Dus hoe doet hij dat? Op youtube zijn verschillende video’s te vinden waarin hij advies geeft over hoe je mensen moet benaderen, hoe je ze op hun gemak stelt en welke vragen je kunt gebruiken.

Hij vraagt bijvoorbeeld:  ‘What’s your greatest struggle right now?’ of ‘Could you give me a piece of advice?’ (Mensen zijn dol op advies geven.) En niet onbelangrijk: vraag eerst om een foto en vertel ze niet meteen over het interview.

Op dit blog zal ik verslag doen van mijn ervaringen en de leukste foto’s en quotes natuurlijk plaatsen.

Wordt vervolgd!

Draadstaal op de Dam

Foto: Atelier Van Lieshout

‘Op 5 mei vieren we de vrijheid’, de tekst van het TV-spotje van jaren geleden staat me nog altijd bij . Er werd ingezoomd op een schildersdoek die het symbool van de vrijheid schilderde: een duif uiteraard. Destijds leefde het thema voor mij amper. Anno nu zullen er maar weinig jongeren zijn die voelbare affiniteit hebben met onze Nederlandse oorlogsveteranen. Het ritueel op de Dam blijft toch een beetje hun feestje.

Het Orakel op de Dam

Kunstenaar Joep van Lieshout komt dit jaar met een bijzonder werk op Bevrijdingsdag. Een 3,5 meter hoog draadstalen hoofd dat kan spreken met behulp van sms-berichten van toeschouwers. Het ‘afgodsbeeld’, zoals hij het zelf noemt, spreekt ongecensureerd.

Van Lieshout: ‘ Stel dat mensen alleen bagger sturen, dan zet de Nederlander zichzelf wel in zijn onderboek.’ (Citaat Volkskrant, di 29 april)

Mocht het uit de hand lopen, kan burgermeester Van der Laan ingrijpen, als handhaver van de openbare orde. Ook kunnen er maar 3 berichten a 160 karakter per telefoonnummer worden verstuurd.

Spannend, want dat betekent dat werkelijk alles kan worden geroepen, van mooie vrijheidsleuzen tot misschien wel hatelijke racistische uitspraken. Het is een mooie steekproef die kan weergeven hoe we in Nederland met het vrije woord omgaan. Maakt niemand er gebruik van of staat de lijn roodgloeiend? Wordt het een dialoog (dat zou prachtig zijn) of weerspiegelt het de vrijblijvendheid van ‘ieder voor zich’?

Project P

Vanavond wordt de eerste aflevering van Project P: Stop het pesten uitgezonden, waarin pestende jongeren met behulp van verborgen camera’s worden geconfronteerd met hun gedrag. Wetenschappers hebben er nu al een afkeurende mening over zonder één aflevering te hebben gezien.

Reality TV is vaak een mikpunt van spot. Het zogenaamde ‘teren op andermans problemen’ is vooral iets verachtelijks heb ik me laten vertellen. Sociale wetenschappers willen alles waar een beeldscherm aan te pas komt maar al te graag verguizen en nu zijn de pijlen gericht op Project P.

In een artikel in de Volkskrant van vanmorgen zijn een mediasocioloog en een sociaal wetenschapper aan het woord. Zonder dat er één aflevering op de buis is geweest, is het programma al afgeschreven. Wetenschapper 1 beweert dat media-aandacht slachtofferschap in de hand werkt en alleen extreme gevallen in beeld brengt. Hierdoor zouden de milde pesters zich er niet in herkennen. Ook zouden TV-omroepen dit als een veilige manier aangrijpen om hun maatschappelijke betrokkenheid te tonen. Over het veilige kun je discussiëren: diverse scholen hebben het programma al aangeklaagd om privacyredenen. TV-omroepen die hun maatschappelijke betrokkenheid tonen, hoe durven ze?

Het argument van wetenschapper 2: er zou een wildgroei zijn aan pestprogramma’s (Dag tegen pesten, Over de streep, Gepest). Omdat de media altijd kapstokken zoekt, is een trending thema als pesten handig om alles onder te scharen. Zo zouden een aantal suïcidegevallen onder jongeren op mediagenieke wijze aan pesten zijn toegeschreven, en onterecht. Wat de werkelijke oorzaak is van de zelfmoorden, blijft volgens wetenschapper 2 onderbelicht. Dat journalisten hun werk oppervlakkig doen en dingen door de media worden uitvergroot, is niets nieuws. Maar hoezo is dit een argument tegen Project P? Het programma gaat toch juist wél over pesten?

Over de streep was een goed programma. Het richtte zich op het wederzijds begrip dat kan ontstaan wanneer je elkaar beter leert kennen. Het programa geeft de hoop dat er vaste sociale structuren kunnen worden doorbroken. Kwetsbaarheid tonen is moeilijk als je positie binnen een groep niet zeker is. We blijven als sociale dieren sterk afhankelijk van wat anderen van ons denken en in de puberteit hebben we nog geen olifantenhuid. Misschien waren de zelfmoorden inderdaad niet direct te koppelen aan pestgedrag, maar het geeft wel een signaal. Enkel een gevoel van sociale isolatie kan voor een puber voldoende zijn om zich tegen het leven te keren.

Of Project P een goed programma wordt, weet ik niet. RTL 5 wil misschien te zwart-wit daders en slachtoffers bestempelen, gezien het aantal crime-programma’s op deze zender. Naar mijn mening willen de wetenschappers hun beroep gewoon niet uit handen geven aan therapeutische presentatoren. De wetenschappers zouden er goed aan doen om niet te snel te oordelen, over ‘de anderen’.